Het móet kunnen met minder dwang en drang
De vereniging Landelijk Platform van cliënten en familieorganisaties in de GGZ (Geestelijke Gezondheidszorg) is eind 2006 gestart met het project ‘Dwang en Drang’. Met dit project willen de cliënten en familieorganisaties in de GGZ de kwaliteit verbeteren van vrijheidsbeperkende interventies zoals fixatie, medicatie en separatie. Ervaringen in het buitenland leren dat er in de behandeling ook andere mogelijkheden zijn.
Communicatie vormt een cruciaal onderdeel van dit programma. Dwang en Drang stellen hoge eisen aan de kwaliteit van de communicatie. Zo kunnen onderhandelen en overtuigen situaties van dwang voorkomen, maar dienen tíjdens de dwangtoepassing te worden vermeden. Hoe gaat de hulpverlener om met de cliënt in welke situatie?
Kudding & Partners maakt zaken als openheid in de communicatie, afspraken maken en contact houden concreet. Nu al kan Kudding & Partners hulpverleners bij Dwang en Drang vraagstukken ondersteunen met trainingen op gebied van gespreksvaardigheid.
Op dit moment wordt er onderzoek gedaan, bij instellingen die zich bezighouden met het project Dwang en Drang, om een compleet programma te ontwikkelen voor bejegening, gericht op Dwang en Drang problematiek. Het onderzoek wordt geleid door Bert Lubbinge student van de opleiding Integrale Veiligheidskunde aan de Hogeschool Utrecht.
Het project Dwang en Drang hebben acht kwaliteitscriteria opgesteld. Hieronder vindt u een samenvatting van de kwaliteitscriteria.
- Besef dat dwang en drang onderdeel uitmaken van de psychiatrische praktijk en dat die praktijk wordt gekenmerkt door tegenstrijdige verplichtingen.
- Tegenstrijdige verplichtingen leiden tot ambivalente gevoelens en emoties bij collega’s, bij de cliënt en bij de familie. Schenk aandacht aan die gevoelens. Ga creatief om met spanningen.
- Beschouw dwang en drang in het kader van het proces van zorg. Ingrepen zijn alleen te rechtvaardigen in de context van betrokkenheid. Ze vereisen aandacht, verantwoordelijkheid, deskundigheid en afstemming. Uitgangspunt in het proces van zorgverlening is het overleg tussen hulpverleners, cliënt en familie. Hulpverleners dienen ervoor te zorgen dat verschillende betrokkenen een inbreng hebben in het zorgproces.
- Dwang en drang vereisen goede communicatie. Besteed aandacht aan bejegening, openheid, afspraken maken, contact houden. Onderhandelen en overtuigen kunnen situaties van dwang voorkomen, maar dienen tijdens de dwangtoepassing te worden vermeden.
- Reflecteer op het doel van het ingrijpen. Kijk daarbij niet alleen naar het afwenden van gevaar, maar stel de vraag of en hoe een interventie zal bijdragen aan de mogelijkheden van de cliënt om de greep op eigen leven te behouden en te vergroten. Reflectie op het doel van dwang- of drangtoepassing betekent ook dat deze geen routines worden.
- Reflecteer op de middelen. Wees je bewust van de variatie in het scala aan interventies. Gebruik niet meer ingrijpende maatregelen dan nodig. Probeer creatief om te gaan met situaties. Wees flexibel, respectvol en tactvol.
- Plaats dwang en drang in een tijdsperspectief. Probeer anticiperend te werk te gaan. Maak vooraf afspraken met de cliënt en waar mogelijk ook met de familie. Wees transparant over het ingrijpen en de gevolgen daarvan. Evalueer iedere toepassing van drang of dwang met de cliënt en de familie. Probeer in overleg met de betrokkenen er lessen uit te trekken voor het toekomstig omgaan met elkaar. Zorg voor institutionele vormen van evaluatie.
- Streef naar adequate randvoorwaarden (deskundigheid, beschikbaarheid, bouwkundige voorzieningen, voorlichting, protocollering) en onderneem actie waar deze ontbreken
|